![]() |
|||||||||||
| Contact | |||||||||||
| Home | |||||||||||
| webdesign: djRrrong for undone productions | |||||||||||
|
'Staatsorganisatie dus, met staatsgeld' Discussie over de rol van de staat, de zorgplicht en over het recht op hulp van arme burgers is van alle tijden. Bij de kamerbehandeling van de wet op het domicilie van onderstand in 1818 was het recht op onderstand ter sprake gekomen maar van de hand gewezen. Het ontwerp voor een Armenwet uit 1845 kende geen recht op bijstand, maar wel zorgplicht. De Armenwet van 1854 kende evenmin recht op steun, wel een zorgplicht van de kerken. Aan het begin van de jaren negentig van de negentiende eeuw was het debat over de sociale kwestie in volle gang. De links-liberaal P.L. Tak deed in 1892 een bevlogen oproep voor staatsarmenzorg en het recht op zorg: 'En dat te eerder, naarmate de armoede toeneemt en de armen gaan inzien dat de hun door de kerken gepredikte berusting niets anders is dan een grof plichtverzuim jegens zichzelven en hun gezin.' De staat onderkende dat er armoede bestond en vreesde dat de armen een gevaar konden worden voor de openbare orde. Gemeenten hadden de taak 'dien gevaarlijken lieden den mond te stoppen'. Bij de behandeling van de wijziging van de Armenwet in 1870 was de maatschappijkritiek genoeg toegenomen om de wetgever ervan te overtuigen dat overheidsbeleid of het ontbreken daarvan invloed had op de armoede. De wetgever die weigerde 'invloed te doen gelden op de productiewijze dezer machine-eeuw', kon voor een deel van die armoede verantwoordelijk gehouden worden. 'Wilde hij, zooals gebleken is, voor de productie geen regelen stellen, dan ware het wenschelijk geweest, zich althans de offers van het stelsel aan te trekken. Maar neen, deze liet hij over aan de particuliere liefdadigheid.' Gebleken was dat de kerkelijke besturen zich zo veel mogelijk probeerden te ontdoen van hun armen en hen aan de zorg van de burgerlijke armbesturen overlieten. Als de arme door particulieren en kerk was afgewezen, bestond voor het burgerlijk bestuur geen verplichting hem te helpen. De arme had geen bevoegdheid om van wie dan ook onderstand te kunnen eisen. Ook kon hij bij niemand in beroep gaan als hem onderstand werd geweigerd. 'En geniet hij vasten onderstand van de diaconie, laat ons eens zeggen, een gulden in de week, dan is het volgens een kon. besluit van 1878, aan de burgerlijke armbesturen verboden, hem ook maar een cent of een brood te geven. En krijgt hij niets van de diaconie en niets van bijzondere instellingen, dan mag het burgerlijk armbestuur hem alleen helpen bij volstrekte onvermijdelijkheid.' Wetswijzigingen waren er in hoofdzaak op gericht de gemeentefinanciën niet al te zeer te belasten. Het probleem van het bestaande stelsel was dat de kosten werden gedragen door de gemeente en niet door de staat. 'Deze laatste alleen kan van alle gegoeden de noodige bijdragen eischen.' Omdat de gemeenten de financiële lasten droegen kon 'de schatrijke man, die op een dorp woont waar weinig armen te verzorgen zijn, nagenoeg vrijloopen, terwijl de belastingbetalenden in de groote steden en het verwaarloosde deel van het platteland voor meer zullen worden aangesproken dan hun rechtmatig deel in den te dragen last is'. Tak pleitte daarom voor financiering en organisatie door de staat. De uitvoering kon in de gemeenten door vrijwilligers of dienstplichtigen worden gedaan 'onder eene controle, die aan de armverzorgers de noodige ruimte van beweging laat, zoolang zij hun plicht doen, doch hen op de vingers tikt, als zij dien verwaarloozen'. Met een dergelijke armenzorg met ruime financiering, aangevuld door verzekeringen tegen de gevolgen van ouderdom en ziekte en de nodige 'gestichten', zou de regerende klasse, 'die zoo afkeerig is van wezenlijke hervorming van het maatschappelijk stelsel, althans het bewijs geven, dat hare betuigingen van humaniteit uit ernstig plichtsbesef voortkomen'. De gangbare opvatting was dat door staatszorg de particuliere bijdragen zouden verminderen en dat dit te betreuren was. Tak erkende dat deze verwachting klopte. 'De meesten die door den staat zouden genoopt worden eene flinke jaarlijksche bijdrage af te staan, zouden hunne contributies aan vereenigingen intrekken, en zouden de menschen die zij zoo uit de hand helpen, naar den staat verwijzen. Men vindt dit jammer omdat het toch zoo lief is voor arme menschen te zorgen, en omdat die zorg tusschen den arme en den rijke eene zoo innige betrekking in het leven roept.' Tak zou het een zegen vinden als die particuliere liefdadigheid verdween. 'Zij schept eene betrekking van afhankelijkheid en onderdanigheid, die den eerlijken arme, den man die werken wil, maar om welke reden ook door arbeid zich en zijn gezin niet kàn onderhouden, niet past.' De grote armoede werd veroorzaakt door de manier waarop de maatschappij was ingericht. Van hen die er van profiteerden mocht worden verwacht en zelfs geëist dat zij door financiële bijdragen de armen hielpen. 'En dan is de staat het eenige orgaan, dat door het heffen eener rijksbelasting hen allen vinden kan. Het wordt tijd om te breken met elke opportunistische behandeling der armenzorg en rondweg te erkennen, dat de dupes van de gemeenschap aanspraak hebben op den steun der gemeenschap, en op zoodanigen steun dat zij redelijk in 't leven kunnen blijven.' Volgens de grondwet was het armbestuur een onderwerp van de aanhoudende zorg van de regering. 'En de regeering beantwoordt dat voorschrift met de arme menschen volkomen afhankelijk te laten van den goeden wil van enkele particulieren. De wetgever die zich veroorlooft het stelen van een brood en het vragen om een aalmoes strafbaar te stellen, die zoo de maatschappelijke orde handhaaft, dient ook het hongerlijden te voorkomen, want dat is ten eenenmale in strijd met welke maatschappelijke orde ook.' Tegen de staatszorg waren tal van argumenten aangevoerd. 'De moeilijkheden die hadden moeten prikkelen tot ijver en krachtsinspanning om ze te overwinnen, werden hoog en breed uitgesponnen tot een onoverkomelijke hindernis.' 'En als onze staatslieden en economisten, die spotten met de droomers over eene radicale hervorming der maatschappij, ons dat zullen toestemmen, dan zullen wij tot hen kunnen zeggen: ziet, uwe overtuigingen deelen wij niet, maar gij toont althans in dit opzicht te willen wat recht is.' P.L. Tak, 'Armenzorg', De Nieuwe Gids, 7(1892), pp. 86-108 Meer informatie Steeds opnieuw werden pogingen gedaan om de kosten voor de (medische) armenzorg te verminderen Afschuifgedrag tussen zorgaanbieders, zorgverzekeraars en gemeenten moet worden gestopt Armenzorguitgaven 1817-1899 (pdf) Tabellen zorginstellingen in de armverslagen Zorg als onderwerp van rijksbemoeienis en nationale regelgeving Wet op het domicilie van onderstand 1818 (uitgebreide versie met bronteksten) Verlichte adviezen over armenzorg (uitgebreide versie met bronteksten) Pleiten voor staatsarmenzorg (uitgebreide versie met bronteksten) Zorg in het huis van Thorbecke De Armenwet van 1854 Zucht naar onafhankelijkheid van het burgerlijk gezag Kritiek op de armenzorg en emigratie als structurele oplossing Het kapitaal speelt de hoofdrol Geen armenzorg maar sociale verzekeringen Deze pagina is een initiatief van historisch onderzoeksbureau Ecade Danièle Rigter publishes on different elements of the history of the welfare state. She wrote about the role of the Dutch department of Labour and about several private organisations. Her latest publications are about Dutch and Belgian social insurance and about the relationship between different levels of government and its citizens. Her research focuses on the aspects of nationbuilding, democracy and citizenship in the making of the welfare state. For the Centre for the History of Health Insurance (Kenniscentrum Historie Zorgverzekeraars) in the Department of Medical Humanities at the VU University Medical Center in Amsterdam she was responsible for the management of the heritage of health insurance organisations (Erfgoedgids Zorgverzekeraars). |
Buitenrustpad 11 hs 1097 MX Amsterdam 020 6273467 KvK 23062575 Ecade op twitter |
||||||||||